Deze exegese gaat over 2 Koningen 4:1-7 en hoort bij les T-C5 van het zondagsschoolmateriaal van het LCJ.
Bijbelgedeelte: 2 Koningen 4:1-7
Vers 1
Elisa maakt deel uit van een profetenschool, waarbinnen hij hoog aanzien had (2 Koningen2:15; 9:1). Mannen die door een gezalfde profeet onderwezen worden in de godsdienst, worden ook wel ‘zonen van de profeten’ genoemd. Leraar en leerling noemen elkaar ‘vader’ en ‘zoon’. De profetenzonen geven onderwijs aan het volk. De profeten vormden blijkbaar een gezamenlijke school, als enig tegenwicht tegen het vele onrecht en de Baäldienst in Israël. Dat mensen hulp van een profeet inriepen, gebeurde vaker ( 2 Koningen 2:19; 3:11; 4:22; 5:3). Om voor een specifieke zaak de HEERE te zoeken, raadpleegde men een profeet. Dit omdat er in het tienstammenrijk geen priester- en tempeldienst was. De vrouw is één van de 7000 die haar knie niet gebogen heeft voor Baäl (1 Koningen 19:18). Haar man is op jonge leeftijd gestorven, gezien de jonge leeftijd van de kinderen. Als weduwe verkeert de vrouw in een sociaal zeer kwetsbare positie. Ze heeft geen mogelijkheden om in har eigen levensonderhoud te voorzien. Ze durft haar nood aan Elisa voor te leggen omdat deze haar man als een godvrezende heeft gekend; ze noemt dat ook. Ze doet een dringend en bewogen appel op Elisa. Hoewel de schuldslavernij is toegestaan in Israël (Exodus 21:1-11; Deuteronomium 15:12-18), is het verboden om weduwe of wees te onderdrukken (Exodus 22:22; Deuteronomium 24:17). De hardvochtige schuldeiser zondigt hier tegen ‘de Vader der wezen en de Rechter der weduwen’(Psalm 68:6). Als de beide jongens als slaven zouden worden weggehaald, dan is voor de vrouw niet alleen haar eigen toekomst, maar ook die van haar overleden man verdwenen. Naar oudtestamentisch besef nam de mens namelijk nog deel aan de geschiedenis van zijn volk in zijn nazaten.
Vers 2 - 4
Uit de woorden ‘uw dienstmaagd’ blijkt de nederige houding van de vrouw. Ze heeft een klein kruikje olie. Olie werd gebruikt om te koken, als brandstof voor olielampjes, voor persoonlijke verzorging en als smaakmaker van het voedsel. Het was een beloofde zegen van de HEERE (Deuteronomium 7:13). Gebrek aan olie was in het oude oosten een teken van bittere armoede. Elisa belooft een wonder. De vrouw krijgt er een opdracht bij. Ze moet zo veel mogelijk lege potten en kruiken inzamelen in de buurt. Daar is geloof voor nodig. Vervolgens moet ze in besloten familiekring de vaten vullen en wegzetten. De buren zullen wel nieuwsgierig geweest zijn naar wat de vrouw met al die vaten wil doen. Het telkens opzij zetten, wijst op het continue vloeien van de olie.
Vers 5 – 6
De vrouw gelooft de belofte en gehoorzaamt, hoewel ze op dat moment nog niets ziet van de vervulling van de belofte (Hebreeën 11:1). De HEERE laat de olie zolang stromen totdat alle vaten die de vrouw gelovig heeft verzameld, gevuld zijn met olie. Had ze minder vaten verzameld, dan was de olie eerder gestopt; had ze meer verzameld, dan was de olie langer blijven stromen. De HEERE vervult naar Zijn rijkdom al haar nooddruft (Filippenzen. 4:19). Wij mogen met onze nood, onze lege handen, naar de troon der genade gaan om hulp (Hebreeën 4:16). De HEERE kan op onverwachte en ongedachte wijze uitredding bieden aan hen die vertrouwen stellen in Zijn profetische Woord.
Vers 7
De vrouw toont haar dankbaarheid. Dit is een voorbeeld voor ons. Ze vertelt het wonder niet eerst aan haar buren, maar aan Elisa. Uit de reactie van Elisa blijkt dat de olie niet alleen voldoende is om de schuldeiser te betalen, maar ook om verder in het levensonderhoud van het gezin te voorzien. Olie was namelijk een prijzig product. De vrouw heeft uiteindelijk ruimschoots ontvangen wat ze gevraagd heeft. De uitdrukking ‘de man Gods’ benadrukt het krachtige van Elisa’s optreden en ook van Wie hij zijn kracht gekregen heeft. De weduwvrouw zal het laatste bevel van Elisa hebben opgevolgd.