Deze exegese gaat over Genesis 13 en hoort bij les C1.9 van het zondagsschoolmateriaal van het LCJ.
Bijbelgedeelte: Genesis 13
Vers 1-4
Abram moet uit Egypte vertrekken. Al reizend van de ene plaats naar de andere komt hij aan in het zuiden van Kanaän. Door een wonder van God is zijn vrouw Saraï weer bij hem. Ondertussen heeft de HEERE hem rijk gezegend met geld en goed. Vanuit het zuiden trekt Abram naar het midden van het land, naar Bethel. Daar heeft hij voor zijn vertrek naar Egypte zijn tenten ook al opgeslagen. Bij het altaar dat hij daar indertijd heeft gemaakt, roept hij de Naam des HEEREN opnieuw aan om de HEERE te aanbidden, om Hem te danken voor Zijn bewaring en om Hem te smeken om Zijn zegen.
Vers 5-8
Abrams neef Lot is er ook bij. Hij heeft, net zoals zijn oom, grote kudden en vele bezittingen gekregen. De rijkdom van Abram en Lot begint een probleem te vormen. Er is voor hen allebei te weinig weidegebied in die plaats. Hun kudden worden te groot voor het land. Daar komt bij dat de oorspronkelijke bewoners van het land hun eigen weidegrond niet voor vreemdelingen als Abram en Lot over hebben (vgl. vers 7b).
Abram en Lot merken aan hun herders dat het onderling niet meer zo botert. Abram beseft dat het zo niet langer kan. Hij besluit er met zijn neef Lot over te praten. Tussen hen beiden mag er geen twist zijn. Het onderlinge geruzie is tot oneer van de HEERE, en het is tot schade van henzelf. Bovendien: welke indruk krijgen de heidense bewoners van het land zo van hen? Zij zijn immers mannen broeders. Niet alleen omdat zij familie van elkaar zijn, maar ook omdat zij geestelijk broeders van elkaar zijn.
Vers 9-11
De enige oplossing die Abram weet, is dat Lot en hij niet langer bij elkaar blijven. Zij moeten ieder voor zich een gedeelte van het land uitzoeken waar zij voortaan met hun kudden zullen wonen en weiden. Abram doet vrijwillig afstand van zijn goddelijk recht op het hele land. Abram is een vredestichter. Hij wil geen ruzie. Hij wil liever in vrede uit elkaar gaan. Abram laat de keuze aan Lot. Lot grijpt de kans die hij krijgt met beide handen aan. Hij had de keuze aan zijn oudere oom Abram moeten laten. Voor hem is de keuze niet moeilijk. Hij ziet de Jordaanvlakte, met de steden Sodom en Gomorra. Het is een lust voor het oog. De schoonheid van deze landsstreek wordt zelfs vergeleken met het paradijs, de hof des HEEREN. Lot maakt de keuze die hem de meeste winst lijkt op te leveren (vers 11).
Vers 12-13
Abram is geestelijk rijper geworden. De zegen van de HEERE is belangrijker geworden dan aardse rijkdom. Bovendien heeft hij het afgeleerd om alleen aan zichzelf te denken. Dat zijn vruchten van Gods Geest. Voor Abram blijft het heuvelland over. Hij vindt dit goed. Abram weet dat de zegen van de HEERE hem rijk maakt.
Lot heeft er geen oog voor dat de bewoners van Sodom en Gomorra bekend staan om hun goddeloosheid. Ze bedrijven in het openbaar vreselijke zonden; er is sprake van ontucht, hoererij, homoseksualiteit..
Als Lot kiest voor het geld, brengt hij zichzelf en zijn gezin in groot gevaar. Zij komen nu heel dicht bij de goddeloosheid te wonen. Dat is de prijs die Lot voor zijn welvaart moet betalen. Een prijs die hem duur komt te staan. We lezen eerst dat Lot zijn tenten opslaat tot áán Sodom. Hij blijft aanvankelijk buiten de muren van deze zondige steden wonen. Later woont hij ín Sodom.
Vers 14-18
De HEERE zoekt Zijn achtergebleven kind op. Het lijkt wel alsof het slechtste deel voor hem is overgebleven, maar zo zal het niet zijn. Abram mag zo ver hij kan om zich heen kijken, in alle richtingen. Het gehele land dat hij ziet, zal de HEERE voor altijd aan hem geven. De HEERE herhaalt en verzekert Zijn beloften en troost Abram nu hij van Lot gescheiden werd (zie Genesis 12:7). Ook bevestigt de HEERE de belofte dat Abram ‘zaad’, kinderen zal krijgen. Zijn nageslacht zal net zo ontelbaar worden als het stof van de aarde (vers 16).
Ondertussen heeft Abram nog geen kind. Evenmin is hij de eigenaar van ook maar één klein stukje grond van het beloofde land. Toch stelt de vader der gelovigen zijn vertrouwen op de HEERE. Daarmee kom je nooit beschaamd uit (zie Psalm 37:5). Abram vestigt zich bij de eikenbossen van Mamre, bij Hebron. Daar bouwt hij een nieuw altaar voor de HEERE zijn God.