Deze exegese gaat over Genesis 39 en hoort bij les C2.7 van het zondagsschoolmateriaal van het LCJ.
Bijbelgedeelte: Genesis 39
Vers 1 – 6
Met de veelzeggende woorden: ‘En de HEERE was met Jozef’ (zie ook Genesis 20; 31:3 26:3, 24 en 28; 28:15), zet dit hoofdstuk in. Wat er ook met Jozef zal gebeuren,
vast staat dat de HEERE met hem is. Dit komt ook openbaar. De HEERE zegent hem bijzonder in zijn werk. Potifar merkt dat en geeft Jozef zoveel vertrouwen dat hij binnenshuis zijn werk mag doen. Ook stelt hij hem aan als zijn persoonlijke helper en als een
soort beheerder van zijn huis en bezit. Dit is een uitzonderlijk hoge positie voor een slaaf.
Het vertrouwen in Jozef leidt tot grote voorspoed en zegen voor Potifar. Het brengt hem echter niet tot bekering; hij onderzoekt niet Wie de God van Jozef is.
Het woord ‘zegen’ is heel belangrijk in het boek Genesis (zie Genesis 1:22 en 12:2-3). Gods
genadige nabijheid gaat alti jd samen met Zijn zegen. Vers 6 zegt dat Poti far zich nauwelijks
zelf nog om zijn zaken bekommert: ‘Hij liet alles wat hij had in Jozefs hand’. Met ‘brood’
worden waarschijnlijk alle privézaken van Poti far bedoeld. In vers 6b wordt al een opstapje
gemaakt naar het vervolg. ‘Jozef was schoon van gedaante en schoon van aangezicht’.
Datzelfde staat ook van zijn moeder Rachel beschreven (Genesis 29:17). Een knap uiterlijk
kan ook gevaren met zich meebrengen.
Vers 7 - 10
Satan maakt handig gebruik van Jozefs schoonheid. Hij is aan het werk om
Gods plannen te doorkruisen. Na de aantrekkelijke Jozef een poosje gadegeslagen te hebben,
komt de vrouw van Poti far met de korte maar krachti ge uitnodiging: ‘Lig bij mij’. De
toon is er één die geen tegenspraak duldt van de jonge slaaf. Ze wil seksueel contact met
Jozef. Deze is zo verbaasd en verbolgen dat hij tegen haar korte verzoek een stroom van
ontboezemingen in brengt, waarbij zelfs enige herhalingen voorkomen. De vrouw zal best
aantrekkelijk geweest zijn voor de jonge Jozef. Als godvrezende, trouwe slaaf weigert hij
echter beslist. Het zou misbruik zijn van het grote vertrouwen dat hij gekregen heeft en
daarmee zou hij zondigen tegen Poti far. En boven alles zou hij zwaar zondigen tegen God
(Genesis 20:9 en Psalm 51: 4 en 6). En dat wil Jozef, die God liefh eeft , niet. De vrouw gaat
door met haar pogingen om hem te verleiden, waarschijnlijk wel maandenlang. Jozef wil
niet bij haar wil liggen, maar ze blijft voortdurend proberen hem over te halen om ‘bij
haar te liggen’. Van het één kon het ander wel eens komen. Hoe geraffi neerd van deze
vrouw; hoe listi g van satan.
Vers 11 - 15
Als op een dag er niemand thuis is, en de vrouw Jozef vastgrijpt, is er geen
tijd om te discussiëren, maar weet Jozef dat het nu tijd is om naar buiten te vluchten. Hij
neemt geen gelegenheid om zijn tuniek los te rukken uit de hand van de vrouw. Hij zou
wellicht voor de verzoeking bezwijken. Hierin zit een les voor ons. Als we verleid worden
tot zonde moeten we soms, met redenen omkleed weigeren, soms is het beter om weg te
vluchten zonder in discussie te gaan (zie ook 1 Korinthe 6:18 en 2 Timotheüs 2:22). Om te
voorkomen dat Jozef de reden van zijn naar buiten rennen tegen iemand zou meedelen,
neemt de vrouw het initiatief en roept haar huisgenoten en verdraait, met Jozefs kledingstuk in
haar handen, de reden van zijn vlucht. In het woord ‘Hebreeuwse’ zit iets minachtends, het wijst op
vreemdelingenhaat. Met het ‘met ons’ stelt ze zichzelf op één lijn met de slaven. Dit doet ze om hen
op haar hand te krijgen. Ze zegt als het ware: ‘Jullie hebben veel van hem moeten verduren, maar mij
heeft hij bijna verkracht.’ Ze zegt dat hij op haar schreeuwen is gevlucht, wat een leugen is. Met de
opmerking dat hij zijn kleed bij haar liet, geeft ze aan dat Jozef zijn tuniek van te voren had uitgedaan
als voorbereiding op zijn poging om haar aan te randen.
Vers 15 – 20
De vrouw gaat naar haar kamer, legt Jozefs kledingstuk naast zich neer en wacht op
de thuiskomst van Potifar. Om een negatieve reactie uit te lokken, laat ze doorschemeren dat Potifar
Jozef in huis heeft gehaald en dat hij dus in zekere zin medeschuldig is. In het woord spotten zit iets
dubbelzinnigs. Het is hetzelfde woord dat wordt gebruikt in Genesis 26:8 waar staat dat ‘Izak was
jokkende met Rebekka’. Het wijst op seksuele intimiteit. In de woorden ‘is tot mij gekomen’ zit ook
iets dubbelzinnigs met een verwijzing naar geslachtsgemeenschap (vergelijk de uitdrukking ‘en hij
ging tot haar in’). Het is opmerkelijk dat de woedende Potifar Jozef gevangen laat zetten, want een
slaaf die de vrouw van zijn meester aanrandde, kon rekenen op de doodstraf. God zorgt er echter
voor dat Potifar Jozef niet ter dood laat brengen, maar dat hij hem ‘slechts’ gevangen zet. Via de
gevangenis komt Jozef straks aan het hof bij Farao en wordt hij instrument in Gods hand om Israël te
redden.
Vers 21 – 23
Maar de HEERE was met Jozef, ook toen hij vastgeketend in de gevangenis zat (zie
ook Psalm 105:18). Hieruit kunnen we leren dat als de HEERE met ons is, dat niet altijd voorspoed
met zich meebrengt. Soms moeten we onrecht lijden. Maar te midden van zijn ellende ervaart Jozef
de liefde en trouw van de HEERE. Deze neigt het hart van de hoofdgevangenbewaarder die Jozef
verantwoordelijkheid geeft over al de gevangenen en hem laat helpen bij hun verzorging. De cipier
geeft Jozef net zo veel vertrouwen als Potifar hem gaf in zijn huis. De HEERE zegent Jozef en zijn
werk. Vanuit het steeds terugkerende ‘en de HEERE was met Jozef’ is de lijn naar de Heere Jezus
(Immanuël) te trekken. Als zondig mens had Jozef niet verdiend dat de HEERE bij hem was. Dat kon
alleen vanwege het borgwerk van de Heere Jezus. Vanwege dat werk wil Hij met ons zijn tot aan de
voleinding van de wereld (Mattheüs 28:20).