Deze exegese gaat over Johannes 1:28-52 en hoort bij les B4.23 van het zondagsschoolmateriaal van het LCJ.
Bijbelgedeelte: Johannes 1:28-52
Vers 28
'Deze dingen' verwijst terug naar de voorgeschiedenis. Johannes de Doper heeft al in bedekte termen, tegenover de Farizeeën, over Jezus gesproken. Het is vandaag de dag niet precies bekend waar de genoemde plek gelegen heeft.
Vers 29-31
Op diezelfde plek gaat de geschiedenis de volgende dag verder. En dan gaat Johannes openlijker spreken. Hij wijst Jezus aan als 'het Lam van God'. Daarmee wijst Johannes terug naar al die keren in het Oude Testament dat een lam vooruit wijst naar de Messias (bijvoorbeeld Jesaja 53). En vervolgens wijst hij terug naar wat hij de vorige dag over de Messias gezegd heeft. Johannes wijst van zichzelf af. Hij zelf kende Jezus nog niet persoonlijk, (Jezus woonde immers in Nazareth, een andere hoek van het land) maar hij was wel geroepen om de komst van deze Jezus voor te bereiden door te preken en te dopen. Op deze manier wijst Johannes Jezus aan als de Messias, de Christus!
Vers 32-34
Johannes onderstreept dat door te vertellen wat er is gebeurd bij de doop van Jezus, enige tijd eerder. Johannes had van zijn Zender, God Zelf, gehoord dat hij de Messias kon herkennen aan een teken: op Wie de Heilige Geest zou neerdalen, Díe zou de Messias zijn. Toen Johannes Jezus had gedoopt, daalde de Geest in de vorm van een duif op Jezus neer. En dus is er voor Johannes geen twijfel meer: Jezus is de Messias! Zelf doopte Johannes met water, maar deze Messias zal met de Heilige Geest dopen. Dat betekent dat Hij de Heilige Geest aan Zijn discipelen zal geven. Deze Messias is Jezus. Hij is de Zoon van God!
Vers 35-37
De volgende dag wijst Johannes Jezus opnieuw aan als het 'Lam van God'. Twee van Johannes' eigen discipelen gaan daarom achter Jezus aan. Johannes heeft ze zelf op Jezus gewezen. Zo bereidt Johannes de Doper voor hen letterlijk de weg naar Christus!
Vers 38-40
Jezus merkt de 'achtervolgers' op. Met de vraag 'wat zoekt gij?' vraagt Jezus eigenlijk: 'waarom lopen jullie achter Mij aan?' Met de wedervraag 'Rabbi, waar woont Gij?' vragen deze twee discipelen om verder contact. De titel 'Rabbi' geeft aan dat zij, als leerlingen, Hem hoogachten en iets van Hem willen leren. Jezus' antwoord 'Komt en ziet' betekent een uitnodiging om bij Hem thuis te komen. De hele verdere dag krijgen deze twee discipelen onderwijs van de Heere Jezus. De evangelist Johannes is zelf één van deze discipelen. Als hij het later opschrijft, weet hij het nog precies: het was de tiende ure toen we Hem ontmoetten! Dat is: vier uur in de middag.
Vers 41-43
Andreas, de andere discipel, houdt dit grote nieuws niet voor zichzelf. Hij is ervan overtuigd geraakt dat deze Jezus de beloofde Messias is. Simon, zijn broer, moet dat ook weten. Zo wordt Simon bij Jezus gebracht. Hij krijgt een nieuwe naam: Petrus, dat betekent: rots. Op deze rots zal de Heere later Zijn kerk bouwen. Andreas is op deze wijze tot grote zegen voor Petrus!
Vers 44-46
Filippus is de eerste discipel die rechtstreeks door Jezus geroepen wordt. Bethsaïda ligt aan de noordkant van het meer van Galilea, dichtbij Kapernaüm. Ook Filippus houdt het blijde nieuws niet voor zichzelf. Hij is afkomstig uit dezelfde stad als Andreas en Petrus, en kende deze broers hoogstwaarschijnlijk al. Hij zegt dan ook: 'wij hebben gevonden’. Door het woordje 'wij' laat Filippus horen dat hij er al helemaal bij hoort. 'De wet en de profeten' is het hele Oude Testament. Al na de eerste ontmoeting is voor Filippus duidelijk dat Jezus de vervulling van de oudtestamentische profetieën is.
Vers 47-50
Nathanaël is kritisch. Nazareth is geen indrukwekkende plaats zoals Jeruzalem en heeft geen rijke historie zoals Bethlehem. Moet de Messias dan daar vandaan komen? Filippus heeft geen weerwoord, maar weet wel hoe hij zelf door de rechtstreekse ontmoeting met Jezus overtuigd is geraakt. En daarom zegt hij: kom het nu eerst zelf maar eens zien. Een rechtstreekse ontmoeting met Jezus zal Nathanaël wel tot geloof brengen. Het vertrouwen van Filippus blijkt terecht. In twee zinnen heeft de Heiland Nathanaël overtuigd. Jezus doorziet Nathanaël en kan daarom zeggen dat er geen bedrog is hem is. En als Nathanaël vraagt hoe Jezus hem kent, dan geeft Jezus een antwoord waarmee Hij Zijn Goddelijke afkomst onderstreept. Een vijgenboom heeft een dicht bladerdek. Je kunt er ongezien onder zitten. Dat Jezus Nathanaël toch heeft gezien, maakt duidelijk dat Jezus niet zomaar Iemand is! Nathanaël ziet dat ook. 'Zoon van God' en 'Koning van Israël' wijzen allebei op de Messias. Nathanaël gelooft nu dat Jezus de verwachte Messias is!
Vers 51-52
Dit bijzondere optreden van Jezus is nog maar het begin. Nathanaël zal nog grotere wonderen zien. En wat Nathanaël ook zal zien is het opklimmen en neerdalen van engelen. Dit beeld is een verwijzing naar de openbaring aan Jakob bij Bethel (Genesis 28). Toen daalden de engelen af via een ladder. Maar nu zullen de engelen afdalen tot op de Zoon des mensen. Ook 'Zoon des mensen' is een verwijzing naar de Messias. Door de komst van Jezus wordt als het ware de hemel geopend. Nog meer dan ten tijde van Jakob, worden de hemelse dingen aan de mensen geopenbaard. En door de dood van Jezus op Golgotha zal de hemel definitief worden geopend, voor een ieder die van het van deze Jezus verwacht!