Welkom op deze nieuwe site! Veel plezier met rond kijken mocht je verbetervoorstellen hebben dan horen we het graag.

Geloofsontwikkeling van kinderen en jongeren

Hoe sluit je in het kinder- en jeugdwerk aan bij de ontwikkeling van de kinderen en jongeren? Als leidinggevende krijg je soms de meeste onverwachte vragen na een Bijbelvertelling. Dit artikeltje geeft weer welke ontwikkeling kinderen doormaken.

ELOOFSONTWIKKELING
Markus 9: 36,37 En Hij nam een kind, zette dat in hun midden en omarmde het, en Hij zei tegen hen: Wie een van zulke kinderen ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, die ontvangt niet Mij maar Hem die Mij gezonden heeft.
Markus 10:14-16 Maar toen Jezus dat zag, nam Hij het hun zeer kwalijk en zei tegen hen: Laat de kinderen bij Mij komen en verhinder hen niet, want voor zulke mensen is het Koninkrijk van God. Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal het beslist niet binnen gaan. En hij omarmde hen en terwijl Hij de handen op hen legde, zegende Hij hen.
Handelingen 2:39 Want voor u is de belofte en uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal. VooropmerkingGeloof is een gave van God, het werk van de Heilige Geest.Ieder mens is uniek, daarom verloopt de geloofsontwikkeling ook bij ieder verschillend.
Spreuken 22 : 6 Oefen de jongeman overeenkomstig zijn levensweg, ook als hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken.

Religieuze ontwikkeling
Drie componenten:
•Handelingscomponent: nadoen van religieuze gebruiken
•Affectieve component: verbinding met het gevoel, voorbeeldgedrag
•Cognitieve component: kennis

De fasen van Fowler in de geloofsontwikkeling
Stadium 0 Het ongedifferentieerde geloof 0 – 2 jaar De basis van vertrouwen en geborgenheid wordt gelegd. Het kind is één met zijn omgeving: het kan nog geen afstand nemen van de wereld buiten hem. Het besef van God ervaart het kind via zijn ouders, die hem al een aantal godsdienstige vormen aanleren: bidden, zingen, eerbiedig luisteren als er voorgelezen wordt uit de (kinder)bijbel.
Stadium 1 Het intuïtief – projectieve geloof 2 – 7 jaar Taal en spraak zijn een belangrijk nieuw middel om de wereld te duiden. De dingen in de wereld om het kind heen krijgen een naam. Taal helpt de wereld te ordenen, te duiden en opent de wereld. Denk aan de eindeloze wat- en waaromvragen van de peuter. Fantasie en werkelijkheid lopen nogal eens door elkaar. Het Godsbeeld van een kleuter is erg menselijk en primitief ingekleurd. Peuters en kleuters zijn sterk egocentrisch ingesteld. De religieuze wereld en de eigen belevingswereld zijn niet van elkaar onderscheiden, maar lopen door elkaar. De vertellingen die hij hoort, trekt hij door in zijn eigen belevings- en ervaringswereld. Hij kan nog niet zo goed verbanden leggen tussen de dingen. Een kleuter kan zo ervaringen opdoen waarin hij a.h.w. Gods aanwezigheid kan voelen: bidden, zingen, vertellen, vieren.

Stadium 2 Het mythische – letterlijke geloof (6-12 jaar) 7 – 10 jaar Rond het zevende levensjaar wordt de fantasieperiode afgebouwd en begint het kind wat meer los te komen van de eigen beleving. Verhalen zijn van grote betekenis, omdat ze de wereld ontsluiten. Het komt er achter dat er meer dingen bestaan dan het concreet kent en waarneemt. Dat maakt nieuwsgierig. Het kind gaat meer op zoek naar de samenhang van de dingen en gaat vooral oog krijgen voor de oorzaak- gevolgrelatie. Het geweten begint zich verder te ontwikkelen, hoewel het nog sterk gebaseerd is op ongenuanceerd goed- fout denken. Het memoriseren gaat heel gemakkelijk. Het kind in deze fase identificeert zich graag. Hun nieuwsgierigheid en interesse om meer feitelijke zaken te weten neemt toe. Het denken is nog steeds vrij concreet. 10 – 12 jaarVanaf 10e jaar: nog meer onderzoekend. Het zich ontwikkelend vermogen tot logisch denken helpt om meer zicht te krijgen op de zin van het leven, zoals die besloten ligt in de geschiedenissen uit de Bijbel. Ze gaan ook steeds meer naar de achtergronden en verbanden vragen. Juist in deze leeftijdsfase is het van belang de relatie met de kinderen goed te houden, want de eerste verschijnselen van de puberteit zijn merkbaar. In deze periode is er sprake van een ontwikkeling naar meer abstract denken. Het wordt mogelijk te reflecteren: na te denken over eigen en andermans doen en denken

Stadium 3 Het synthetische – en conventionele geloof (12-18) Tussen het elfde en veertiende levensjaar vind er een revolutie in de structuur van het menselijk denken plaats. Men kan langzamerhand formeel en operationeel denken dat wil zeggen; abstract en symbolisch. Ook ontwikkelt zich in deze fase het vermogen om zich in te leven in de ander. In deze fase integreren de jongeren de beelden die het van zichzelf heeft en die aangedragen worden door andere mensen die voor de jongere betekenisvol is, tot een bruikbare identiteitsvorm. In deze fase is de behoefte van het samen geloven in een groep, wederkerig met elkaar verbonden te zijn, opvallend gebleken. Omdat de adolescent nog geen of niet voldoende greep heeft op zichzelf om tot een autonoom oordeel of handelen te komen, spiegelt hij zich in deze fase zich aan een veelbetekenende andere, waaraan hij zich veel aanpast en waarmee hij zijn werkelijkheid onder andere vormgeeft.

Stadium 4 Het zelfstandig reflectieve geloof. Het sleutelwoorden in deze fase is ‘identiteit en verantwoordelijkheid’. Onafhankelijk van anderen, voelt men zich verantwoordelijk voor zijn/haar eigen levensstijl, overtuiging en attitudes.

Stadium 5 Het paradoxale en consoliderende geloof. Deze fase kenmerkt zich voornamelijk door zingeving en integratie.

Stadium 6 Het universele geloof. Kenmerkend voor deze fase is het God-grounded leven: het hartstochtelijke streven naar een rechtvaardige wereld die men niet verzonnen heeft, maar die in overeenstemming is met de goddelijke wil.

Casussen, vragen
1.Algemeen Wat heeft je aangesproken? Waar heb je vragen bij?
2.Creche van de kerk 2 - 4 jaar Het is de gewoonte dat er in deze groep een eenvoudig verhaal verteld wordt en er wordt gezongen en gebeden. Piet wil zijn handen niet vouwen bij het gebed. Wat doe je als leidinggevende?
3.Zondagsschool 4 – 6 jaar Kinderen hebben een rijke fantasie en spelen verhalen graag na. Hoe sta je daar tegenover?
4.Kinderclub 7 – 10 jaar In deze leeftijdsfase kunnen kinderen erg goed memoriseren. Hoe kun je dit stimuleren, bijv. het leren van Bijbelteksten, spelvormen
5.Kinderclub 11 – 12 jaar Wat zou je in deze groep bespreken rond het onderwerp de doop?
6.Jeugdclub 13 – 16 jaar De relatie is erg belangrijk in deze leeftijdsgroep. Wat sluit in jullie programma en opzet goed aan bij deze leeftijdsgroep en wat zouden jullie moeten veranderen om de relatie tussen de jongeren onderling en met de leiding te verbeteren?
7.Jeugdvereniging 17 – 20 jaar Vooral in deze leeftijdsgroep worden de afhakers zichtbaar. Wat doen jullie eraan om hen te betrekken bij het jeugdwerk? Wat zou je kunnen doen?
8.Slot Wat is voor jou bemoedigend?

Adviezen
-Ga jongeren voor in een godvruchtig leven. Wees een gids.
-In het jeugdwerk ben je heel belangrijk als identificatiefiguur. Wees je daarvan bewust.
-Spreek niet alleen met de jongeren over God, maar spreek ook met God over de jongeren. Bid voor hen. En bid ook met hen
-Geef persoonlijke aandacht. Toon betrokkenheid op belangrijke momenten in hun leven.
-Zoek momenten van gezamenlijke toerusting als leiding. Durf je kwetsbaar op te stellen naar de jongeren, maar ook naar elkaar. Wees bereid om van elkaar te leren.




Nog beter in vorm raken?

Wij komen graag langs voor toerusting op maat! Bekijk de dienstenpagina voor ons aanbod of stel je vraag via lydia@goedinvorm.nu.

NEEM CONTACT OP

Heb je een tip?

Deel met ons je idee!

STUUR JE TIP IN